Peil o -en 1 merkteken om
een bep. maat aan te
geven;
2 hoogte, graad van sterkte;
3 beoogd, bereikt
of normaal niveau;
4 peilpaal
Peil·baar bn. 1 wat gepeild
kan worden
~buis m -buizen 1 buis waarmee men de
grondwaterstand meet
~da·tum m -s en -data 1 tijdstip
voor het vaststellen van een aantal of een bedrag
Pei·len peilde, h gepeild 1
de diepte of hoogte bepalen;
2 onderzoeken;
3 het
alcoholgehalte vaststellen;
4 (fig.) aftasten;
5
de ligging bepalen door driehoeksmeting;
6 (radiotelegrafie)
contact trachten te krijgen met een bepaald punt
Pei·ler m -s 1 iem. die peilt;
2
tekstbureau,
zie ook: www.peilertekst.nl
~glas o -glazen 1 glas waarmee men gedistilleerd
peilt;
2 glazen buis waarin men de stand van een vloeistof kan
waarnemen
Pei·ling v -en 1 het peilen
~lood o -loden 1 dieplood
~loos bn. 1 zeer groot, zeer diep
~raam o -ramen 1 (radio)
raamantenne om te peilen
~schaal v(m) -schalen 1 bord dat de
waterstand aangeeft
~stift v(m) -en 1 sonde
~stok m -ken 1 stok waarmee men diepte of
de stand van een vloeistof opmeet